Verhaal uit het boek | 3

Gepubliceerd op 19 april 2026 om 07:47

In dit blog plaats ik elke zondag een verhaal uit mijn boek.

Vandaag het derde deel: Werk?

Werk?

In de periode van het afscheid van mijn vader was het vakantie en kon ik gemakkelijk vrij nemen van mijn werk. Ik werkte toen vier dagen in de week als adviseur milieumanagement bij een ingenieursbureau. Kort voor het overlijden van mijn vader had ik een functioneringsgesprek. In dat gesprek vertelde mijn leidinggevende me dat ik niet verder kon groeien in de salarisschaal waarin ik zat omdat ik geen titel had. Ik was geen ingenieur en had ook geen andere academische titel. Zelf ervoer ik dat nooit als iets wat ik miste. Ik vond het samenwerken met al die technisch georiënteerde mensen juist leuk. Zij waren inhoudelijke expert en hun inhoud wist ik vaak te vertalen naar eenvoudige taal. Ik noemde me vaak een ‘vertaler’ en was goed in het schrijven van handboeken, nieuwsbrieven en het verbinden van verschillende belanghebbende partijen. Misschien waren dat wel juist mijn kwaliteiten omdat ik géén ingenieur was.

“Jij bent geen adviseur, jij doet het op je charme”, zei die leidinggevende tegen me in dat gesprek. Hij vroeg me of ik eens om me heen wilde gaan kijken voor een andere baan. “Denk daar rustig over na, dan komen we daar na de zomer op terug.”

Die opmerking “Jij doet het op je charme” raakte me diep. Vooral het feit dat ik daarom niet meer kon gaan verdienen. Ik was een ander soort professional, maar dat wist ik toen zelf nog niet.

Op de middelbare school wilde ik naar de Hogere Landbouwschool om daarna ontwikkelingswerk te gaan doen in Afrika. Er waren in die jaren elke dag uitgehongerde kindjes uit Biafra op de TV, ik wilde het wereldvoedselprobleem oplossen. Jawel! Maar ik had in die jaren ook epilepsie en viel daarbij regelmatig uit mijn bed. Mijn ouders maakten zich zorgen om me. Ik had ook zelf wel gemerkt dat ik vaker een zogenaamde grand mal had als ik te laat naar bed ging, of veel spanning had. Ik had wel medicatie, maar die wilde ik liever niet, dus ik was geen trouwe innemer. Bovendien dacht ik dat het toch niet werkte. Met zachte hand leidde mijn moeder me naar een andere opleiding, waarbij een rustig en regelmatig leven meer voor de hand lag. Ik ging diëtetiek studeren en werd diëtist.

Na ook nog een jaar post HBO-bedrijfskunde te hebben gedaan aan de HTS wegens gebrek aan werk voor diëtisten, ging ik met mijn vriend van toen, de vader van mijn kinderen, naar Hoevelaken, waar hij een baan had gevonden. Ik besloot een eigen praktijk aan huis te beginnen als diëtist. Ik nam contact op met alle huisartsen, spijkerde een bord aan de deur, richtte een kamer in als praktijkruimte en de eerste klanten kwamen.

Maar al heel snel kwam ik erachter dat ik helemaal niet geschikt was als diëtist. Ik zag vooral de achterliggende problemen, maar was niet opgeleid om die aan te pakken. Bovendien kwamen de mensen daar niet voor. Ik was ondertussen in verwachting van onze dochter en vond in een emancipatorische werkgroep ‘Vrouwentroef’ aansluiting bij bewust in het leven staande vrouwen met kleine kinderen. In die tijd was het nog heel gewoon dat de man werkte en de vrouw thuisbleef om voor het huis en de kinderen te zorgen.

Ik heb nog heel kort als diëtist gewerkt en had er geen moeite mee daarmee te stoppen toen manlief een andere baan vond. Met een peuter van bijna een jaar verhuisden we naar Almelo.

Vol goede moed runde ik het huishouden met man en een peutertje. Ik weet nog hoe ik klusjes maar uitstelde omdat ik bang was anders de volgende dag niets te doen te hebben. Na een winter zo te hebben doorgebracht wist ik dat ik iets buiten de deur moest gaan doen om niet depressief te worden. Een klein kindje is schattig, maar ik ontdekte dat ik het nodig had om met nieuwe dingen in aanraking te komen, ik wilde me verder ontwikkelen. En zo besloot ik op zoek te gaan naar iets waar ik mijn bedrijfskundige achtergrond bij kon gebruiken.

Ik zag in de krant een cursus voor herintredende vrouwen met een HBO-opleiding. Bij die cursus hoorde een stage en dat trok me wel. Ik zag die stagemogelijkheid als opstap naar een meer organisatorisch georiënteerde baan en zo kwam ik bij Akzo in Hengelo terecht. Het was heerlijk om halve dagen aan het werk te zijn. Net begonnen met dat werk kondigde de komst van onze zoon zich aan. Na een zwangerschapsverlof van een half jaar kon ik weer verder.

Bij Akzo hield ik me bezig met het in kaart brengen van de verschillende afvalstoffen en de registratie hiervan. We zetten een registratiesysteem op en toen kwam ik op het idee dat ik soortgelijk werk misschien ook wel bij een adviesbureau zou kunnen doen. Ik solliciteerde bij verschillende adviesbureaus en kon kiezen waar ik wilde gaan werken. Deze luxe had ik nog niet eerder gekend. Ik koos voor het adviesbureau in Amersfoort. We woonden inmiddels vier jaar in Almelo en ook manlief stond open voor ander werk. En zo pakten we onze spulletjes weer op om te verhuizen naar Leusden.

Vier dagen werken in de week, op woensdag thuis. Dat thuis zijn was pas echt werken. Aandacht voor milieu was opkomend in 1990. We waren in Nederland wakker geschud door het fenomeen ‘zure regen’. Ik wist er eigenlijk ook niet zoveel van maar had er grote affiniteit mee. De slogan ‘Een betere wereld begint bij jezelf’ sprak mij zeer aan.

Van afvalstoffen wist ik wel wat, maar na een cursus milieubeleid en -wetgeving voelde ik me net iets steviger in mijn schoenen staan. Ik genoot van het projectmatige werken waardoor ik steeds weer met nieuwe mensen in contact kwam en elke dag leerde over de meest bijzondere onderwerpen. Milieu was en is zeg maar echt mijn ding. Onder milieu versta ik de kwaliteit van de leefomgeving. Het gaat me aan mijn hart hoe wij hier mee omgaan in onze consumptieve wereld.

Bij het adviesbureau werkten we in een kantoortuin. Je hoorde het water in de hal stromen en de plantenbakken stonden overal. Er waren nauwelijks muren, het was een grote open ruimte om te werken en ik voelde me er als een vis in het water. Contacten met collega’s waren gemakkelijk te leggen.

Doordat ik van alles hoorde en tot me nam, kon ik het soms niet nalaten om vragen te stellen, of kansen te zien. Dat uit te spreken was niet altijd wenselijk. Ik ervaarde dat als ik iets zei wat me opviel, degene tegen wie ik dat uitsprak dacht er meteen een oplossing voor te moeten bedenken. Dat was helemaal niet mijn bedoeling. Ik had dan vervolgens last van die reactie want ik wilde alleen maar de aandacht ergens op vestigen, meer niet.

Zo leerde ik dat de meeste ingenieurs/adviseurs denken in oplossingen en antwoorden, terwijl ik veel meer van het stellen van vragen ben. Zelf krijg ik ook graag vragen gesteld, dat helpt mij na te denken over een situatie zodat ik zelf met een bij mij passende oplossing kom. Toen ik dat door had merkte ik hoe adviezen vaak in een bureaula verdwijnen omdat ze niet passen bij de mensen die er iets mee moeten.

Ik besloot na tien jaar werk in milieuland bij het ingenieursbureau op zoek te gaan naar werk waar vragen stellen als een kwaliteit werd gezien in plaats van als ‘gebrek aan kennis’. Ik wilde mensen een stem geven.

Mijn oog viel op een advertentie met de tekst: Wie heeft de kracht om mensen in beweging te brengen? ‘Openen, bewegen, veranderen’ was de ondertitel. Dit leek voor mij gemaakt op dat moment. Ik was ook op mijn werk steeds opener geworden. Een werkomgeving waar dit zou worden gewaardeerd om dingen in beweging te krijgen, hoe mooi zou dat zijn? Ik solliciteerde.

Van het sollicitatiegesprek herinner ik me eigenlijk niets. Wat ik me wel herinner is de psychologische test die ik moest meemaken. Het was echt meemaken. Ik had een gesprek met de huispsycholoog van het bureau. Een reeds gepensioneerde man in een statig huis. Ik had voor de afspraak een keurig ‘pak’ aan en werd vriendelijk ontvangen door een dame die me naar boven stuurde. Daar was een keurige heer, de psycholoog. Hij nodigde me uit om plaats te nemen in een grote fauteuil en zijn vrouw bracht een kopje thee. Hij keek me aan en zei dat het gesprek ongeveer een uur zou duren. Hij begon van alles te vertellen. Over zijn kijk op werk, op de maatschappij, op mensen. Hij vroeg me waar ik was opgegroeid en hij vertelde weer verder. Na een uur zei hij dat het klaar was en dat hij het rapport zou opsturen. Ik was verbaasd, ik had nauwelijks iets gezegd, hij had me bijna niets gevraagd.

Toen ik een week later het rapport las, herkende ik me er wonderwel volledig in. Behalve de laatste zin waarin hij me het advies gaf meer aandacht te besteden aan mijn uiterlijk. Dat begreep ik niet, want ik had echt mijn best gedaan er representatief uit te zien. Bij navraag bleken het mijn tanden te zijn. Mijn ene voortand was wat verkleurd omdat hij dood was en een andere tand stond niet helemaal recht. Ik werd desondanks toch aangenomen.

Twee maanden later kon ik beginnen als adviseur verandermanagement. Ik was inmiddels veertig jaar geworden. Op de eerste dag maakte ik kennis met de collega’s op kantoor. Aardige mensen, vooral met ICT-achtergrond. Daar bleek voor mij een mooie rol weggelegd als onbevangen vragensteller. Dacht ik.

Waar de directeur mijn openheid in eerste instantie aanmoedigde, merkte ik dat mijn collega’s helemaal niet zo open waren. Na enkele weken begonnen ze me zelfs te waarschuwen dat de directeur soms een kort lontje had, dus dat ik me beter wat in kon houden. Ik hoorde het wel, maar wilde niet meer zwijgen. Ik kon het niet meer. Mijn geest was uit de fles en die liet zich niet meer terugdringen.

Op een avond hadden we een soort brainstormbijeenkomst waarin we met elkaar ideeën bedachten voor werk om ons in de toekomst mee bezig te houden. Het ging financieel iets minder goed omdat een grote opdracht niet was verlengd. In al mijn openheid bracht ik allerlei mogelijkheden naar voren. Totdat de directeur er genoeg van had en naar me uitviel: “Wat denk jij wel niet dat dat allemaal zal gaan kosten.” Dat had ik niet verwacht, zijn uitval sloeg bij me in als een bom, mijn hart klopte in mijn keel. Ik heb verder gezwegen.

De volgende dag besprak ik het met enkele collega’s. Ze vonden het ook onheus van de directeur, maar ja, zij wisten hoe hij was en schrokken daar niet meer zo van.

Kort daarop hadden we met enkele andere nieuwe collega’s een introductietraining met de teamrollen van Belbin als ingang voor gesprek over je kwaliteiten in samenwerking. Ik deed de test. Ik had die test vijf jaar eerder bij het ingenieursbureau ook gedaan en had daar gezien waarom ik het soms zo lastig vond om in een groep samen te werken. Ik zag vaak sneller dan de rest welke kant we op zouden moeten en liep daardoor af en toe voor de troepen uit. Dat gaat goed als de baas ook vindt dat het die kant op moet, maar eigenzinnig als ik ben, loop ik soms mijn eigen weg. Daarin voelde ik me nog wel eens alleen.

Deze keer was de uitslag van de test een beetje anders. Er was als teamrol die van ‘Plant’ bij gekomen.

Kernkenmerken Plant

  • Zeer creatief en origineel
  • Komt met nieuwe ideeën en oplossingen
  • Denkt “outside the box”
  • Sterk in het oplossen van complexe problemen
  • Onafhankelijk denker

Typisch gedrag

  • Komt met onverwachte invalshoeken
  • Heeft soms weinig geduld met details of uitvoering
  • Kan in gedachten verzonken zijn
  • Werkt graag alleen aan ideeën

Sterke punten

  • Innovatief
  • Vindingrijk
  • Doorbreekt vaste patronen
  • Ziet mogelijkheden waar anderen obstakels zien

Valkuilen

  • Kan ideeën opperen die niet altijd praktisch uitvoerbaar zijn
  • Vergeet soms de haalbaarheid
  • Kan moeite hebben met samenwerking als anderen zijn/haar idee niet direct begrijpen
  • Verliest interesse zodra de uitvoeringsfase start

Ik besprak de uitslag met de trainer, die de organisatie goed kende. “Prachtig, die Plant”, zei hij. “Zo iemand heeft de organisatie heel erg nodig. Alleen is de directeur niet erg plantvriendelijk, dus je zult het moeilijk krijgen.” Het was eigenlijk een bevestiging van wat ik al had ervaren. Zijn tip: “Als je gelukkig wilt zijn, koester je plantje.”

Dat gesprek hielp me om een volgende stap te zetten. Ik stuurde een mailtje aan vier mensen uit mijn netwerk met de vraag: “Ik overweeg ontslag te nemen, heb jij wijze raad, tips of advies voor mij?”

Dat bleek een gouden vondst. De een zei dat hij misschien wel wat voor me had, de ander wilde me ook wel helpen en zo kreeg ik er alle vertrouwen in dat het wel goed zou komen. Ik nam ontslag. Ik mocht meteen vertrekken. Daardoor had ik de tijd om in gesprek te gaan met de mensen die ik had gemaild en me te bezinnen op mijn toekomst.

Ik was net gescheiden, had manlief uitgekocht uit het huis en had drie maanden financiële reserve. Toch raakte ik niet in de stress hierdoor. Ik creëerde mijzelf in mijn hoofd een ‘Mamaloewagen’ voor als ik in financiële nood zou komen en mijn hypotheek niet meer zou kunnen betalen. Ik bedacht me dat ik in geval van nood mijn huis zou verkopen en dan altijd nog wel een Mamaloewagen zou kunnen kopen. Dan zouden mijn kinderen en ik hoe dan ook een dak boven ons hoofd hebben.

In de weken die volgden sprak ik met diverse mensen die me wilden helpen om werk te vinden. Na een maand was me duidelijk dat ik voor mezelf zou moeten beginnen als ik werkelijk wilde gaan doen waar mijn hart naar uit ging.

Ik wilde adviseur zijn voor de ontwikkeling van mens en organisatie. En zo schreef ik mij in bij de Kamer van Koophandel onder de naam Eclect. Deze stap had ik zelf niet verwacht, maar het voelde goed. Ik liet visitekaartjes maken en een website: ‘Ont-moeting’. Niet meer moeten, maar juist ontmoeten.

Toen ik deze stap genomen had, kwamen de opdrachten bijna als vanzelf op mijn pad. Vooral voor vragen om nieuwe onderwerpen in een organisatie te ontwikkelen en te implementeren. Ik begon mijn antwoord dan met: “Daar weet ik niets van”, en hun antwoord was dan: “Maar daarom willen we je graag hebben.” Al vragen stellend vond ik mij telkens een weg. Daarmee hielp ik andere mensen hun eigen antwoord te vinden.

 

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.